Als je stof gaat kopen

1. Let op het gewicht en de soepelheid van de stof. Dit zal immers bepalen of je kledingstuk mooi zal vallen. Bij elk model in dit magazine geven we mee waarop je moet letten voor dat specifieke model en welke stofsoorten het meest geschikt zijn.

2. Let op vleug en print. Vooraleer je de patroondelen op een effen stof speldt, moet je nagaan of de stof een ‘vleug’ heeft. Strijk met je hand eerst naar de ene kant en dan tegen de richting in. Vertoont de stof plots een glansverschil, dan spreken we van een vleug. Bij zulke stoffen is het extra belangrijk dat je alle patroondelen in de juiste richting op de stof speldt. Onder meer (rib)fluweel, velours, kasjmier, angora … hebben een vleug. Bij een printmotief met tekeningen, ruiten of strepen is het mooier wanneer je de tekening laat doorlopen over de naden. Dit zorgt voor enig puzzelwerk waarvoor je best extra stof kunt voorzien. Ook moet je erop letten dat alle patroondelen in dezelfde richting worden geknipt. Je zou toch niet willen dat je tekening op z’n kop staat?!

3. Geweven of gebreid? Bij een geweven stof worden de breedtedraden (inslagdraden) tussen de lengtedraden (kettingdraden) geweven. Bij gebreide stoffen, ook tricot genoemd, wordt de draad door middel van lussen in elkaar gehaakt. Deze laatste vereist een andere verwerkingswijze bij het naaien. De patronen en afwerkingsmethoden kunnen dus verschillen. Daarom vermelden we het telkens wanneer een model enkel geschikt is voor tricotstoffen.