Legende werkbeschrijving

Gebruikte afkortingen

  • VP: voorpand
  • RP: rugpand
  • RVP: linkervoorpand
  • MV: middenvoer
  • MR: middenrug
  • ZN: zijnaad
  • IZ: inzetstuk
  • TB: tailleband
  • SN: schoudernaad

Gebruikte breisteken en afkortingen

Tricotsteek

1 naald alle steken rechts breien, 1 naald alle steken averechts breien, steeds herhalen.

Averechtse tricotsteek

1 naald alle steken averechts breien, 1 naald alle steken rechts breien, steeds herhalen. Langs de voorkant van het werk krijg je een ribbelsteek.

Gerstekorrelsteek

1 steek rechts, 1 steek averechts, steeds herhalen. Bij de volgende naalden op een rechtse steek een averechtse breien en op een averechtse een rechtse steek breien, steeds herhalen.

Boordsteek 1/1

1 steek rechts, 1 steek averechts breien en dit steeds herhalen voor alle naalden.

Boordsteek 2/2

2 steken rechts, 2 steken averechts breien en dit steeds herhalen voor alle naalden.

Boordsteek 3/3

3 steken rechts, 3 steken averechts breien en dit steeds herhalen voor alle naalden.

Samenbreien

2 steken in één keer breien.

Afhalen

Schuif 1 steek op je naald zonder te breien, brei de volgende steek en haal de eerste steek over de tweede.

st

Steken

nld

Naald

Gebruikte haaksteken en afkortingen

Losse (lus)

Sla de draad over de haaknaald en trek hem door de lus op de haaknaald.

Halve Vaste (HV)

Steek de haaknaald in een steek, sla de draad over de haaknaald en trek hem door de twee lussen op de haaknaald.

Vaste (V)

Steek de haaknaald in een steek, sla de draad over de haaknaald en trek hem door de steek. Sla de draad nogmaals over de haaknaald en trek hem door de twee lussen op de haaknaald.

Verlengde Vaste (VV)

Steek de haaknaald in een steek, sla de draad over de haaknaald en trek hem door de steek. Sla nogmaals de draad over de haaknaald en trek hem door de eerste lus. Sla de draad een derde keer over de haaknaald en trek door de twee lussen op de haaknaald.

Stokje (S)

Sla de draad over de haaknaald, steek de haaknaald in een steek, sla de draad over haaknaald en trek hem door de steek. Er zitten nu drie lussen op de haaknaald. Sla de draad opnieuw over de haaknaald en trek door de drie lussen op de haaknaald.

Bobbelsteek (B)

Sla de draad over de haaknaald, steek de haaknaald in een steek, sla de draad opnieuw over de haaknaald en trek hem door de steek. Er zitten nu drie lussen op de haaknaald. Sla de draad nogmaals over de haaknaald, steek de haaknaald in dezelfde steek, sla de draad opnieuw over de haaknaald en trek hem door de steek. Er zitten nu vijf lussen op de haaknaald. Sla de draad nogmaals over de haaknaald, steek de haaknaald een laatste keer in dezelfde steek, sla de draad over de haaknaald en trek hem door de steek. Er zitten nu zeven lussen op de haaknaald. Sla de draad over de haaknaald en trek in één keer door de zeven lussen.

Minderen met vasten (MV)

Steek de haaknaald in een eerste steek, sla de draad over de haaknaald en trek hem door de steek. Steek de haaknaald in de volgende steek, sla de draad over de haaknaald en trek meteen door de steek én alle lussen op de haaknaald.

Lees verder