Naaitermen

In ons magazine staan regelmatig naaitermen die je misschien niet direct kent. Daarom leggen we naast onze naaitips ook enkele termen uit die van pas komen bij verschillende naaiprojecten. Je zult zien dat je de meeste straks uit het hoofd kent. Heb jij nog termen die hieronder niet vermeld staan? We vullen de lijst graag aan! Stuur een mailtje naar atelier@lamaisonvictor.com met subject ‘naaiterm’.

Beleg

Het patroondeel dat je gebruikt om randen af te werken, bijvoorbeeld aan de hals- of armuitsnijding, ritssluiting of middenvoor.

Bies / biais

Een smallere strook stof of lint dat je aan of rond de af te werken rand stikt. Een bies is in rechtdraad, biais is in schuindraad geknipt.

Dubbelen

De omtrekranden van twee stofdelen (of één dubbelgevouwen stofdeel) met de goede kanten op elkaar aan elkaar stikken en keren.

Hechten

Het stiksel aan begin en einde vastmaken door drie steekjes naar achteren en weer naar voren te geven.

Merken

Of van een merkteken voorzien. Dit kan door een klein knipje te geven in de omtrek van de stof op belangrijke plaatsen (inzetpunten mouwen, vouwlijnen, plooien …). Alle belangrijke punten of lijnen binnenin het patroon, zoals neepeindpunten, plaatsen waar een knoop, knoopsgat, zak, klep … komt, worden met een rijgdraad gemerkt.

MR of middenrug

De lijn die het midden van de rugkant van het lichaam aanduidt.

MV of middenvoor

De lijn die het midden van de voorkant van het lichaam aanduidt.

Naadband

Strook plakvlies van 1, 1,5 of 2 cm breed. Dit gebruik je om rechte naden (zoals schoudernaden) te verstevigen langs de averechtse kant om uitrekken tegen te gaan.

Naadwaarde

Een extra hoeveelheid aangeknipte stof die nodig is om twee delen aan elkaar te stikken. De waarden zijn afhankelijk van de afwerkingsmethode van het kledingstuk.

Overlocken

Met een overlockmachine de rafelranden afsnijden en afwerken met een overlocksteek om het rafelen tegen te gaan.

Persen

Met een strijkijzer en een (vochtige) doek de stof goed aandrukken, om bij voorbeeld mooie, platte naden of duidelijke vouwen te verkrijgen. Bij het persen beweeg je het strijkijzer niet of nauwelijks.

Persvoet

Het onderdeel van de stikmachine waaronder de stoflagen ‘geperst’ zitten en getransporteerd worden.

Persvoetbreedte

Stikken op ‘persvoetbreedte’ betekent dat je de rand van de persvoet langs de naad of de te bestikken rand laat lopen.

Plakvlies

Of kleefvoering. Dit is een vlies dat je op de averechtse kant van een bepaald deel van een kledingstuk strijkt ter versteviging, bijvoorbeeld in het geval van een tailleband, beleg of kraag.

Rijgen

Met een korte naainaald en rijggaren verschillende stoflagen aan elkaar naaien met een grote steek, of bepaalde patroonlijnen op de stof overbrengen.

Stofvouw

De vouw van de stof wanneer je deze dubbelvouwt.

Toegifte of overwijdte

Extra ruimte die in het patroon voorzien is bovenop de zuivere lichaamsmaten omwille van bewegingsvrijheid en draagcomfort.

Uitdunnen

Een deel van de naadwaarde wegknippen om teveel dikte op één plaats te vermijden. In hoeken knip je de naadwaarde schuin af om ze mooi te kunnen keren.

Vormband

Strook plakvlies van 1 cm breed, in schuine richting geknipt en verstevigd met een kettingdraadje. Dit gebruik je om ronde lijnen (zoals hals- en armuitsnijding) te verstevigen om uitrekken tegen te gaan en om een mooie vorm te garanderen.

Zelfkant

Rand van de stof in de richting van de lengtedraden.

Lees verder